"Theater is een oefening in verdwijning", zegt Jan Fabre. Hoe dit in zijn werk gaat, kan u in twee weekends meemaken. Met 'Het is theater zoals te verwachten en te voorzien was' en 'De macht der theaterlijke dwaasheden' herneemt Jan Fabre twee van zijn vroegste stukken. In het begin van de jaren tachtig sloegen ze in als een bom. En bezorgden de maker meteen een plaats in de theatergeschiedenis. Herhaling en lichamelijkheid en een groot performancegehalte lopen als een rode draad door beide voorstellingen.
In 'Het is theater zoals te verwachten en te voorzien was' (1982) voeren acht performers non-stop dagdagelijkse handelingen uit. En dit acht uur lang, de duur van een normale werkdag. Er zijn geen verhalen of personages, enkel situaties. Roken, rondtollen, zich aan- en uitkleden, ter plaatse lopen. Daarbij citeren de performers luidkeels namen uit de kunstgeschiedenis, of beschrijven een dag in sleutelwoorden en halve zinnen. De uitputting nabij, laten zij iets van zichzelf zien. De realiteit krijgt aldus een plaats op de scène, waar normaal de fictie heerst. Tussen het rood, goud en fluweel van het theater, deze mooie droommachine, legt Fabre de lont. De explosie is mijlenver hoorbaar.