De Amerikaanse componist Elliott Carter (°1908) is één van de belangrijkste vernieuwers van de twintigste-eeuwse muziek. Zijn oeuvre karakteriseert zich door verregaande experimenten met tempoverhoudingen en texturen. Zijn symfonieën, concerti en sonates vergen technisch het uiterste van elke musicus, inspanningen die qua innovatie rijkelijk beloond worden. Zijn vroege werken zoals 'Pocahontas' (1939) en zijn Eerste Symfonie (1942) verwijzen nog naar zijn neoklassieke leermeesters Gustav Holst en Walter Piston. Vanaf de jaren vijftig ontwikkelde hij een hoogst eigenzinnige, compromisloze stijl. Hij is wellicht één van de laatste nog levende rasechte modernisten, én een vurig antagonist van het minimalisme. 'Boston Concerto' (2003) getuigt hiervan. In een interview met Geoffrey Norris van The Telegraph zei de zesennegentigjarige componist over de populaire trend van het minimalisme: "Het is de dood. Wanneer je een maat schrijft en die keer op keer herhaalt, houdt de muziek op iets met de componist te maken te hebben (...). Het betekent dat een persoon opgehouden heeft te leven. Het heeft niets te maken met muziek. (...) Ik denk dat één van de grootste problemen die we kennen dat soort alomtegenwoordige herhaling is, in reclame, in openbare systemen, en in politici die steeds hetzelfde zeggen. We leven in een minimalistische wereld, zo ervaar ik het. Zo denk ik erover. En die anderen die mogen denken wat zij denken."