Twee uiteenlopende muziekvormen, jazz en Indiase raga, treden in dialoog in deze voorstelling, die gedanst wordt door twee verschillende groepen van het gezelschap. De eerste danst op raga's, de traditionele muziek uit het noorden van India. De tweede groep neemt John Coltranes 'A Love Supreme' voor zijn rekening. Tussen de gekozen muziekstukken bestaan er raakvlakken. Zo deelt 'A Love Supreme' het meditatieve en spirituele karakter van raga. Het verheffende van Coltranes jazzimprovisaties staat in contrast met de eerder aan de aarde gebonden, kleine verschuivingen en variaties die de raga's kenmerken. 'Miyan Ki Malhar', de raga die de spil vormt van het eerste deel, staat bekend omwille van de vele ornamenten en glissandi, eigen aan deze klassieke muziekvorm. In deze raga, uitgevoerd tijdens het regenseizoen, beschrijft een vrouw haar ondraaglijke verlangen naar haar minnaar, die niet komt opdagen. Haar angst en verwarring, hunkering en verdriet worden vertaald in bewegingen van meerdere dansers die zich telkens hergroeperen in kleine constellaties binnen een poëtisch choreografisch geheel.