Historiek instellingen
1898 Componist Peter Benoit wordt directeur van
van het Koninklijk Vlaamsch Muziekconservatorium. Naast het
opleiden van studenten en het vormen van kunstenaars droomt hij
ervan om via zijn instituut de hele bevolking te betrekken bij de
internationale muziek- en theaterwereld. Hij lanceert het idee van
een zaal waar niet alleen studenten maar iedereen die dat wil, kan
deelnemen aan kunst en cultuur.
1968 De eerste stap in de verwezenlijking van
die droom is gezet. Op de Wezenberg opent het Vlaams
Muziekconservatorium zijn deuren, in een gebouw ontworpen door Léon
Stynen. Sinds het ontwerp in 1958 evolueren de leerprogramma's van
deeltijds naar voltijds en worden nieuwe studierichtingen, zoals
jazz, aangeboden.
1980 deSingel opent de Rode en de Blauwe Zaal.
Onder leiding van Frie Leysen start het seizoen 1983-1984 met een
eigen artistiek programma. Het huis groeit spoedig uit tot een
Internationaal Kunstcentrum. Naast de zalen omvat de uitbreiding
een onderkomen voor Radio 2 Antwerpen en een bibliotheektoren
(boven de Blauwe Zaal). Ook deze uitbreiding is getekend: Léon
Stynen.
1995 Vanaf nu vormt het Conservatorium samen
met de opleidingen dans en drama een departement als onderdeel van
de Hogeschool Antwerpen. De nood aan een zaal die zich leent voor
orkestrepetities, openbare examens en kamermuziekconcerten, groeit.
Om de synergie te versterken tussen de opleidingen in de
podiumkunsten enerzijds en tussen het tonen en het leren van kunst
anderzijds, wil de Hogeschool Antwerpen ook de opleidingen drama
(Herman Teirlinck Instituut) en dans (Hoger Instituut voor Dans) in
dit gebouw onderbrengen. Intussen dient de
bachelor/masterhervorming (2004) van het hoger onderwijs zich
aan.
Ondertussen ontwikkelt deSingel zich verder en groeit uit tot een
open kunstcampus die ook onderdak verleent aan diverse ensembles in
residentie als Champ d' Action en autonome instellingen als het
Vlaams Architectuurinstituut. deSingel profileert zich als de meest
aangewezen plek om de vooraanstaande rol die Vlaanderen speelt in
het netwerk van grootschalige internationale podiumkunsten te
consolideren. De kunstcampus beschikt immers over een goede
basisinfrastructuur om kunst te tonen, over de knowhow en de
contacten om de uitgesproken internationale werking verder te
ontwikkelen. Maar het ontbreekt aan repetitieruimtes om te
produceren en aan infrastructuur om het publiek op te vangen en te
informeren. Ook kiest de Vlaamse Gemeenschap ervoor om het Vlaams
Architectuurinstituut, een instelling in volle ontwikkeling, een
meer prominente plek toe te wijzen. Om de rol van kunstcampus ten
volle te vervullen, moet de infrastructuur ontwikkeld en uitgebouwd
worden, zowel voor het maken als voor het leren en tonen. Daarom
wordt aan architect Stéphane Beel gevraagd de noden en
mogelijkheden van het gebouw te onderzoeken en de uitbreiding te
realiseren. Hij ontwerpt een masterplan voor de toekomst van de
kunstcampus.
2000 De eerste fase van Beels masterplan is
gerealiseerd. Die focust op het werkbaarder maken van de campus
door een aantal transport- en circulatieproblemen op te lossen en
meteen extra ruimte en comfort te creëren voor zowel Conservatorium
als voor deSingel.
2010 Feestelijke opening na realisatie van fase
twee, die het grote inhoudelijke toekomstproject van deSingel
internationale kunstcampus en het Koninklijk Conservatorium van de
Artesis Hogeschool Antwerpen faciliteert en veruiterlijkt. Met de
12.000 m2 extra beslaat de kunstcampus nu een totaaloppervlakte van
46.000 m2. De internationale 'Kunstcity' maakt kunst interactief in
real life: ze wordt er niet alleen getoond, maar ook (aan)geleerd
en gemaakt.
Historiek gebouw
De tijd tussen ontwerp en realisatie van het gebouwencomplex
besloeg ruim drie decennia. Léon Stynen ervoer dit proces bij
momenten als een ware calvarietocht. Daar staat tegenover dat zijn
ontwerp de geschiedenis inging als de meest complete samenvatting
van Stynens oeuvre.
1958 Léon Stynen (1899-1990) begint aan zijn
ontwerp voor het Vlaams Muziekconservatorium op de Wezenberg, in de
groene rand rond Antwerpen.
de werf in Fase 1 (Foto: Collectie Architectuurarchief Provincie
Antwerpen)
1968 Het Vlaams Muziekconservatorium opent de
deuren. De school heeft de vorm van een ongesloten acht en is
georganiseerd als een paviljoen: alle lokalen geven uit op twee
binnentuinen.
1978 Het startschot voor fase twee van de
bouwplannen wordt gegeven.
1980 Fase twee van Stynens bouwplannen is
voltooid. Het Conservatorium werd uitgebreid met een gedeelte voor
Radio 2 Antwerpen, twee grote zalen en een bibliotheektoren. De
uitbreiding sluit de achtvorm af met een middelhoogbouw en
verschaft deSingel een herkenbaar gezicht aan de verkeerswegen die
inmiddels rond het gebouw zijn aangelegd.
1987 Opnieuw wordt het gebouw uitgebreid, naar
het ontwerp van Stynen en diens assistant Paul De Meyer, met extra
ruimte voor het Conservatorium en een kleine publieksfoyer voor
deSingel.
In een architectuur die over zo'n lange tijdsspanne vorm krijgt,
zit het veranderende tijdsbeeld vervat. Stynen bedacht een voor
Vlaanderen unieke culturele infrastructuur. Zijn gebouw heeft
aanpassingen en uitbreidingen geïncorporeerd zonder aan eigenheid
in te boeten. Toen in 1995 de nood aan een nieuwe aanpassing en
uitbreiding zich opdrong, was de uitdaging meteen duidelijk: hoe om
te gaan met dit unieke moderne monument zonder het te schaden? Of,
in de geest van Léon Stynen zelf, hoe dit gebouwencomplex
klaarstomen voor de toekomst en het daardoor verrijken?
1989 deSingel stelt het werk van de jonge
architect Stéphane Beel tentoon. Kort daarna ontwerpt hij de deuren
die de wandelgangen en zalen van de inkomhal scheiden en
ticketcontrole mogelijk maken. In die zogenaamde
'patattendeuren' herhaalt hij de vorm van Stynens typerende
ovalen ramen, als volle vlakken op de glazen deurpanelen.
1990 Wanneer deSingel een tentoonstelling over
Stynens werk organiseert, bedenkt Stéphane Beel als
tentoonstellingsmaker een boeiend parcours doorheen het gebouw. Het
is duidelijk hoe goed deze architect zowel het gebouw als zijn
ontwerper aanvoelt. Daarop tekent Stéphane Beel een aantal kleine
aanpassingen voor het Conservatorium.
1995 Stéphane Beel krijgt de opdracht om een
masterplan op te stellen voor de reorganisatie en uitbreiding van
deSingel en het Conservatorium. Zijn voorstel moet oplossingen
formuleren die tegemoetkomen aan de ontwikkeling en ambitie van de
kunstcampus.
2000 Fase één van het masterplan is
gerealiseerd. Ze beantwoordt aan de hoogste noden: het gebouw
krijgt een extra circulatieas en bijkomende artiestenloges, het
podium van de Rode Zaal wordt groter, en er komt meer ruimte en
daglicht in de artiestenfoyer.
2002 Minister van cultuur Bert Anciaux geeft
aan Stéphane Beel de opdracht de tweede fase van het project te
realiseren. De Hogeschool Antwerpen sluit zich aan. Het definitieve
ontwerp krijgt vorm.
2007 De werken aan fase twee van het masterplan
beginnen. De kunstcampus groeit.
2010 Het seizoen/academiejaar gaat van start in
een grootschalig gebouw dat ontworpen werd om creativiteit en
wisselwerking mogelijk te maken en te stimuleren.
Architecten
werkvergadering
- Architect van het Koninklijk Muziekconservatorium (1968) waar
later ook BRT Radio 2 Antwerpen en deSingel Internationaal
Kunstcentrum (1980) onderdak vonden
Stynen realiseerde dit complex in nauwe samenwerking met zijn
assistent Paul De Meyer - Studeerde architectuur aan de afdeling bouwkunst van de
Akademie van Antwerpen
- Uitgesproken pleitbezorger van het modernisme, dat hem in zijn
lange loopbaan succesvol inspireerde voor een groot aantal
verscheiden projecten
- Naast enkele spraakmakende interbellumwoningen, het voormalige
BP-gebouw en de Electrabelbuilding in Antwerpen ontwerper van onder
meer ook de casino's van Oostende, Knokke en Blankenberge
- Vriend en bewonderaar van Le Corbusier, aan wie het verfijnde
brutalisme van het Conservatoriumgebouw een manifest eerbetoon
is
- deSingel stelde het werk van Léon Stynen tentoon in 1990
- Architect die het gebouwencomplex uitbreidde in 2000 en
2010
- Studeerde architectuur aan de Sint Lucas Hogeschool in
Gent
- Refereert met zijn werk aan de modernistische of
minimalistische architectuur, becommentarieert deze subtiel al
bouwend en koppelt pragmatisme aan verbeeldingskracht
- Zette in de jaren 1980 zijn loopbaan in met enkele verrassende
woningen waaronder Villa M in Zedelgem en de ingenieuze reconversie
van een melkerij tot kantoorgebouw in Eeklo. Ontwierp nadien onder
meer het gerechtsgbouw en het universiteitsforum in Gent, het
Museum M in Leuven en het Raveelmuseum in Machelen-aan-de-Leie
- deSingel stelde het werk van Stéphane Beel tentoon in 1989 en
1999
De relatie met de omgeving: 4 torens

Toen Léon Stynen aan het ontwerp voor het Vlaams
Muziekconservatorium begon, had hij een introverte muziekcampus
voor ogen, gelegen in het rustige parklandschap van de Antwerpse
stadsrand. Achter het stedenbouwkundig ontwerp dat Stynen voor de
Wezenberg maakte, ligt het idee van 'stad in het groen': een
landschap dat voortborduurt op de groene heuvels en het water van
de vestinggrachten. Daarin zouden verschillende torens komen.
Van dat plan werden uiteindelijk slechts fragmenten uitgevoerd,
met de realisatie van de BP-building (nu kantoorgebouw), het
Crest-Hotel (nu Crowne Plaza) en deSingel.
Kort na de voltooiing van de eerste fase in 1968 - de
onvolledige achtvorm van het Conservatorium - zoefde het verkeer
van de Antwerpse ring en de spoorlijn achter het gebouw door en
rukte de stad onherroepelijk op richting Wezenberg.
De nieuwe vleugel keert zich niet af van de drukke
verkeersaders. Stéphane Beel positioneerde het gebouw juist op de
plek waar de polsslag van de stad het meest voelbaar is. Op
verschillende plaatsen in het gebouw bieden grote raampartijen
uitzicht op dit schouwspel van beweging en vertraging, met de
stedelijke skyline als achtergrond.
De nieuwbouw
De vorm van het nieuwe gedeelte ontstond op de eerste plaats
vanuit de behoeften: het gebouw moest op een compacte manier
onderdak bieden aan een uiterst complex programma. Daarenboven
moest het op een intelligente en respectvolle manier omgaan met een
modern monument, zonder zichzelf weg te cijferen.
Het gebouw van Stéphane Beel schakelt zich als een onafhankelijk
volume aan dat van Léon Stynen, maar de uitbreiding zet de
verhoudingen en de organisatie van de bestaande infrastructuur op
een subtiele manier verder.
De nieuwbouw bestaat uit drie delen: een laagbouw, een
tussenlaag (samen: 'Beel Laag') en een hoogbouw ('Beel Hoog')
De
HOOGBOUW staat perfect afgelijnd op het volume van
Léon Stynen en bevat ruimtes voor het Conservatorium. De lokalen
zijn georganiseerd rond twee circulatie-assen en twee vides. Elke
ruimte krijgt daglicht en uitzicht.
De TUSSENLAAG verbindt de hoogbouw met de
laagbouw en bevat de meest publieke functies: de
bibliotheek en het café-restaurant. De glazen wanden en het gebrek
aan steunmuren zorgen voor veel licht en zicht. De transparante
tussenlaag kan rechtstreeks bereikt worden via een hellend vlak aan
de hoofdingang van deSingel.
De
LAAGBOUW sluit als een gesloten plint aan op het
bestaande gebouw van Léon Stynen en bevat ruimtes voor deSingel.
Naast een tentooonstellingszaal bevinden zich hier technische
lokalen en oefenruimtes die voorzien zijn op
publieksvoorstellingen.
Autonomie met respect voor Stynen
In zijn verhoudingen verwijst het hoogbouwvolume van de nieuwe
vleugel naar het bouwblok waarin Léon Stynen de twee grote zalen en
de conservatoriumbibliotheek voorzag. Stéphane Beel kantelde een
volume van vergelijkbare proporties en spreekt van een horizontale
toren.
Het hoogbouwvolume van de nieuwe vleugel staat perfect afgelijnd
op het bouwblok waarin Léon Stynen de twee grote zalen en de
conservatoriumbibliotheek voorzag. Door volumetrisch vergelijkbare
bouwblokken op dezelfde assen te zetten komt het
gebouwenconglomeraat in al zijn diversiteit toch als een
samenhangend geheel over.
Focuspunten ontwerp
BUITENAFWERKING: HOUT!
Opvallend en niet voor de hand liggend
is de keuze om de buitenkant te bekleden met lariks planken.
Naast een aantal technische voordelen was vooral het uitzicht de
doorslaggevende factor voor die keuze. Dehoutengevels verlenen de
nieuwbouw een apart statuut tussen de andere grootschalige gebouwen
aan de Antwerpse verkeersaders. Als een schuur - ruw, weerbarstig
en misschien wat misplaatst - verkondigt deze architectuur haar
programma: dit is een werkplek waar kunst wordt gemaakt en gedeeld.
De gevels zullen verweren zodat het met de tijd diverse
schakeringen van grijs tot wit elkaar subtiel zullen
afwisselen.
AKOESTIEK
Geluidsisolatie speelde een belangrijke rol in het ontwerp. Het
doorzetten van trillingen vormde één van de hoofdredenen om eerder
horizontaal dan vertikaal te gaan bouwen. Structureel staan hoog-
en laagbouw volledig los van elkaar, waardoor activiteiten van
deSingel en het conservatorium elkaar niet storen. De hoogbouw
(Beel Hoog) vormt een op zichzelf staande, door pijlers omhoog
gehouden constructie. De laagbouw (Beel Laag) werd daaronder
geschoven. Ook de materiaalkeuze gebeurde in functie van de
akoestiek: tapijt in de gangen, zware, isolerende materialen,
funderingen die de trillingen van de omliggende verkeersaders
opvangen en dempen.
DUURZAAMHEID
De schaal van het project noodzaakte tot een fundamentele visie op
duurzaamheid. De nieuwbouw herbergt een uitgebreid en complex
programma op een compacte, economische manier. Dat gebeurt in
kwalitatieve ruimtes die op verschillende manieren kunnen worden
gebruikt. De hoofdconstructie is zo bedacht, dat herbestemming
mogelijk is. Onder meer via het café-restaurant en de
bibliotheek-leeszaal wenst de kunstcampus extra mogelijkheden voor
de buurt te creëren.
INTERIEUR
De nieuwbouw herbergt voornamelijk productieruimtes. De kantoren,
nutsvoorzieningen, repetitie- en leslokalen zijn ontworpen voor
intensief gebruik en zijn voorzien op slijtage. Het interieur oogt
dan ook eerder rudimentair dan verfijnd. Het budget noopte tot
economische afwerkingsmaterialen, gekozen in functie van de
akoestiek.
GEBRUIK
De werkruimtes voor artiesten en studenten bieden de mogelijkheid
tot vertoningen op maat. Bezoekers krijgen niet alleen het extra
comfort van 'maatwerk' maar zien ook uivoeringen binnen de context
waarin ze totstandkomen. Het tonen van dat kader schept een
meerwaarde voor de beleving van de kunst.